Ik ken de allerliefste
Ook deze ochtend stond Somberman op.
Hij liet zich niet omhelzen, al poogde ik dat wel.
Somberman behoort tot mijn beste vrienden of is zelfs mijn beste vriend, ook al kan hij dat niet begrijpen. Hij kan niet begrijpen dat hij met mij, of ieder ander, samen kan gaan. Toch, ik val met hem samen als met een eerste geliefde die nooit helemaal uit een leven kan verdwijnen.
Nu hij, het middaguur net voorbij, weer weg is kan ik de tranen huilen, die hij niet kan hebben.
Ik huil om het ondraaglijke dat hij altijd ziet en torst. En al zie en torst ik dat ondraaglijke niet; van Somberman blijf ik weten.
Ik zie die gegroefde mens, die het lijden is dat niet gekend wordt door het gros van de wereld, omdat het gros van de wereld een kern van veiligheid kent.
Somberman ontbeert dat, waardoor het leven zich voortsleept, zonder dat dat kan; er is geen leven in een bodemloze put. De bodemloze put waarin niets beklijft, zelfs het lijden niet.
Precies dát is het intrinsieke en onverteerbare lijden van Somberman, waaraan vrijwel iedereen voorbijgaat, omdat het te onbekend is. En juist daarom is Somberman mijn beste vriend.
Daarbij; ik ken hem als mezelf op de momenten dat ik mezelf ken.
Van wie anders zou ik kunnen houden.